Bergbonen
Hun voorouders kwamen in de 17e eeuw vanuit Spanje via de Provence naar Ligurië en vonden in de Nervia-vallei, de Oneglia-vallei en de Argentina-vallei een ideale leefomgeving.
Hier, op de droge terrassen in het achterland van Imperia,
Door natuurlijke selectie zijn er drie verschillende soorten bonen ontstaan, die in evenzoveel kleine gemeenten worden geteeld: Badalucco, Conio en Pigna. De meest geschikte gebieden, zoals de ouderen maar al te goed weten, bevinden zich op de hoogste punten, waar de grond los en goed doorlatend is en het water – het belangrijkste element – uit bronnen komt, kalkhoudend is en rijk aan minerale zouten.
Het zaaien, in rijen, vindt plaats in de maand mei; voor de oogst moet men wachten tot september, wanneer de peulvrucht droog is.De bonen uit Badalucco, Conio en Pigna zijn klimbonen, maar de verschillen tussen de drie soorten, die te wijten zijn aan de verschillende bodemsoorten, watervoorziening en microklimaten, zitten vooral in de vorm en de grootte.
De boon uit Conio is niervormig en iets groter (ongeveer 12 à 13 millimeter), terwijl de andere twee eivormig en kleiner zijn, met name die uit Pigna. In Badalucco worden de bonen ‘rundin’ genoemd. Ze hebben allemaal een vlezige, zachte en delicate textuur, maar onderscheiden zich door nuances die beter tot uiting komen bij een vergelijkende proeverij dan in een bereid gerecht. Ze zijn uitstekend als gedroogde bonen, maar ook vers zijn ze erg lekker in de winterkeuken.
De beste manier om ervan te genieten
Ze worden gekookt en op smaak gebracht met een scheutje extra vierge olijfolie. De bereiding vergt tijd: volgens de traditionele methode moeten ze een nacht worden geweekt. Vervolgens worden ze gekookt in water (35 minuten vanaf het moment dat het water begint te koken) met knoflook, laurier, een paar eetlepels olie en op het einde wat zout. De bonen zijn precies goed gaar als de zaden zacht zijn, maar toch stevig blijven en niet uit elkaar vallen. Het gevoel op de tong moet gelijkmatig zijn, alsof er geen schil is.
In de traditionele keuken bestaan er verschillende bereidingswijzen; elk dorp heeft zijn eigen typische gerecht:
In Pigna is het typische gerecht geit met bonen, in Conio de „Zemin“ (soep met bonen, groenten en vlees) en in Badalucco de „Friscioi“ (beignets).
De oogst van de peulen begint half september en eindigt rond half oktober. Het gedroogde product is het hele jaar door verkrijgbaar.


